|
Naar de mening van
de meeste antropologen kwam een groep Aziatische jagers van Siberië
naar Alaska. Zij achtervolgden waarschijnlijk ijsberen, zeehonden of
walrussen. In elk geval bleven ze naar het zuiden trekken.
Eeuwen verliepen en
andere groepen zwervende jagers volgden hen. Na verloop van tijd
druppelden zij niet meer binnen, maar een langzame maar gestadige
stroom van mensen verhuisden naar het zuiden door het Canadese
Rotsgebergte naar wat nu het noordwesten van de Verenigde Staten is.
Waar deze zwervers ook heen gingen, altijd waren er enkelen die zich
ergens vestigden en bleven wonen. Maar de meer avontuurlijken bleven
verder trekken. Sommige verspreiden zich oostwaarts naar de Grote
Meren en de kust van de Atlantische Oceaan. Andere gingen naar het
zuiden, naar Mexico en Midden Amerika. En na een paar duizend jaar -
slechts enkele seconden op de klok van de geologische tijdrekening -
waren twee continenten bewoond door de Amerikaanse
Indianen.
Stapels
stenen en beenderen getuigen nog van de trektochten en de
geschiedenis van deze eerste Amerikanen. In holen in Oregon,
Colorado, Arizona, Texas en Mexico hebben oudheidkundigen Indiaanse
wapens gevonden, ook primitief beeldhouwwerk, botten van beesten,
waarmee de Indianen zich voedden en de beenderen van Indiaanse
doden.
Toen
Christopher Columbus in 1492 zijn beroemde reis maakte, zocht hij
een korte weg naar Indië. Hij had er geen idee van dat hij toevallig
twee grote continenten had ontdekt, die op het westelijk halfrond
tussen Europa en Azië lagen. In plaats daarvan geloofde hij dat hij
op een eiland in Oost-Indië geland was. Daarom noemde hij in zijn
rapporten aan de Spaanse koning de inboorlingen van het door hem
ontdekte land "Indianen". En hoewel de echte "Indianen", de bewoners
van Indië, een halve wereld verder naar het westen woonden, bleef
deze naam in gebruik. In de duizenden jaren, die liggen tussen
het eerste binnentrekken van de Nieuwe Wereld en Columbus
ontdekking, ontwikkelden de Amerikaanse Indianen een levenswijze die
enig was in de wereld. Men schat dat er omstreeks 1492 ongeveer
dertien miljoen mensen woonden in Noord- en Zuid-Amerika. Hiervan
woonden er ongeveer een miljoen verspreid door het gebied, dat nu de
Verenigde Staten vormt. De Noord-Amerikaanse Indianen vormden
volstrekt geen eenheid, het was niet één volk, zij waren verdeeld in
ongeveer vijfhonderd stammen, en deze stammen waren op hun beurt nog
weer verder onderverdeeld in geslachten en gemeenschappen. Sommige
stammen telden duizend leden en zwierven rond door uitgestrekte
vlakten of grote wouden. Andere stammen bestonden slechts uit enkele
tientallen mensen, die zich maar zelden buiten een afgesloten gebied
waagden.
Ook waren er
ongeveer evenveel Indiaanse talen en dialecten als er Indiaanse
stammen waren. Vaak verstond een stam, die in een bepaald dal
woonde, de taal niet van een stam uit een ander dal, dat er slechts
een paar mijl vanaf lag. Hierdoor was het vaak moeilijk om zich met
elkaar te onderhouden. Om deze moeilijkheid tot op zekere hoogte te
overwinnen, ontwikkelden de Indianen een primitieve gebarentaal -
een reeks gebaren met armen, handen en vingers - waarmee ze
eenvoudige mededelingen aan elkaar konden doorgeven. Taalgeleerden
kunnen praktisch geen, of zeer geringe gelijkenis bespeuren tussen
de verschillede Indianentalen en die van de Oude Wereld, hoewel
bepaalde stammen in het noordwesten wel hoge klikgeluiden gebruiken,
die vaag op Chinees lijken. Dit gaat waarschijnlijk terug tot de
tijd, gehuld in de nevelen der oudheid, toen de oorspronkelijke
Oer-Indianen nog in Azië woonden.
In de
Tweede Wereldoorlog dienden leden van de Indiaanse stammen, vooral
Navaho's en Apachen, in het Amerikaanse leger, in en bij de
frontlinies wisselden zij boodschappen uit per radio. Noch de
taaldeskundigen in het Japanse leger, noch die bij de Duitsers
konden hun talen ontcijferen. De Indiaanse talen zijn vaak
melodieus, prettig om te horen. Zij zijn zeer rijk aan woorden, vol
mooie gevormde zinnen en ingewikkelde beschrijvingen. Veel Indiaanse
woorden zijn een deel gaan uitmaken van het moderne Amerikaanse,
vooral namen van plaatsen en rivieren - Mississippi, Tennessee,
Ohio, Iowa, Miami, Susquehanna, Dakota, Oklahoma, Connecticut,
Texas, Illinios, enzovoort.
In de allereerste
plaats leven de Indianen van de jacht. Huiden van wilde dieren
werden gebruikt voor kleding en in sommige gevallen ook tot
materiaal voor tenten en hutten. De pezen gebruikten ze als
naaigaren voor mocassins en kleren, als vissnoer en als pezen voor
hun bogen.
Terug
|