Vrije vertaling van
"Tlingit myths" recorderd by John R. Swanton.
In het begin, voordat er iets op Aarde was, voor de
grote vloed uit de zee het land overstroomde en zich weer terugtrok,
voor er dieren over de Aarde liepen en bomen het land groen
kleurden, voor de vogels tussen de bomen vlogen, ja zelfs voor er
vissen, walvissen of zeehonden in de zee zwommen, leefde er een oude
man in een huis op de oever van een rivier met zijn enig kind, een
dochter.
Of zij zo mooi was als dennentakken tegen een
lentelucht bij zonsopgang of zo lelijk als een naakte zeeslak is
eigenlijk voor dit verhaal niet zo van belang, omdat het verhaal
zich voornamelijk in het donker afspeelt.
In die tijd was het in
de hele wereld donker; pikdonker, zo inktzwart dat je geen hand voor
ogen kon zien en het was donkerder dan duizend winterstormen in het
midden van de nacht, donkerder dan er ooit iets was of is geweest
sinds die tijd.
De oorzaak dat het zo donker was heeft te maken
met de oude man in het huis bij de rivier, die een kist had waarin
een kist zat, waarin een kist zat, waarin een oneindig aantal kisten
zaten ieder een klein beetje kleiner dan de volgende tot
uiteindelijk er een kistje was, zo klein, dat het alle licht van het
universum kon bevatten.
De Raaf, die natuurlijk al bestond in die
tijd, omdat hij altijd al heeft bestaan en altijd zal bestaan, was
een beetje ongelukkig met situatie omdat het leidde tot een
afschuwelijk en onbeholpen gestuntel, een pijnlijk botsen met
objecten op zijn weg.
Het vertraagde hem erg in zijn zoektochten
naar voedsel en andere vleselijke pleziertjes en in zijn constante
poging zich overal mee te bemoeien en dingen te willen veranderen.
Uiteindelijk leidde zijn onbeholpen gestuntel hem tot dicht bij
de plaats van het huis, van de oude man aan de oever van de rivier.
In het begin hoorde hij een zangerige stem zachtjes mompelen.
Toen hij het stemgeluid volgde, kwam hij al snel bij de muur van
het huis waar hij met zijn oor tegen de planken nog net de woorden
kon verstaan: "Ik heb een kist en in die kist zit een andere kist en
in die kist zitten heel veel kisten en in de allerkleinste kist, zit
al het licht van het universum en het is alleen van mij en ik geef
het nooit van mijn leven weg, zelfs niet aan mijn dochter want wie
weet, misschien is ze wel zo lelijk als een naakte zeeslak en noch
zij, noch ik willen, dat óóit weten!
Het duurde maar een ogenblik
voordat de Raaf besloot om het licht te stelen, maar het duurde veel
langer voordat hij een manier kon bedenken om het te krijgen.
Allereerst moet hij een deur vinden in het huis.
Maar hoe
vaak hij ook om het huis heen stuntelde of hoe vaak hij alle planken
aftastte, het bleef een vlakke ononderbroken wand.
Soms hoorde
hij de oude man of zijn dochter het huis verlaten, om water te halen
of voor een andere reden, maar ze kwamen altijd aan de andere kant
in het huis terug en wanner hij naar die kant rende, bleef de houten
muur gesloten als altijd.
Tenslotte ging de Raaf, ten einde
raad, stroomopwaarts aan de rivieroever zitten en dacht en dacht en
dacht, hoe hij het huis toch moest binnen komen.
Terwijl hij
daar zo zat, begon hij steeds meer te denken aan het jonge meisje
die in het huis leefde en met het denken aan haar, welde er meer bij
de Raaf op dan alleen zijn verbeelding.
"Het is waarschijnlijk
dat ze zo lelijk is als een naakte zeeslak", zei hij tot zichzelf,
"maar van de andere kant kan ze ook zo mooi zijn als dennentakken
tegen een lentelucht bij zonsopgang, als er maar genoeg licht was om
er een te maken."
En in deze nutteloze speculatie vond hij de
oplossing van zijn probleem.
Hij wachtte tot de jonge vrouw,
wier voetstappen hij had leren onderscheiden van die van haar vader,
naar de rivier kwam om water te halen.
Dan veranderde hij
zichzelf in een enkele dennennaald, liet zich in het water vallen en
dreef stroomafwaarts om juist op tijd gevangen te worden in de mand
die het meisje in het water dompelde.
Zelfs in zijn erg
veranderde vorm, was de Raaf in staat tot een heel klein beetje
magie, genoeg om het meisje zo dorstig te maken dat ze een grote
slok water uit de mand nam en daarbij de dennennaald inslikte.
De
Raaf gleed naar beneden diep in haar warme ingewanden en vond een
zachte comfortabele plaats waar hij zich opnieuw veranderde, deze
keer in de vorm van een heel klein mensje en ging slapen voor een
lange tijd.
En terwijl hij sliep groeide hij en groeide hij en
groeide hij.
Het jonge meisje had geen idee wat haar overkwam en
natuurlijk vertelde ze niets aan haar vader die niet iets bijzonders
ontdekte omdat het zo donker was, totdat hij plotseling het nieuwe
lid van de familie gewaar werd toen de Raaf eindelijk triomfantelijk
tevoorschijn kwam in de vorm van een baby.
Hij was, of zou zijn,
als iemand hem had kunnen zien, een vreemd uitziend jongetje, met
een lange vooruitstekende neus en een paar zwarte veren hier en
daar.
Bovendien had hij de glinsterende ogen van de Raaf, die
zijn gezicht een levendige en nieuwsgierige uitdrukking gaf, als er
iemand was geweest die deze eigenschappen had kunnen zien.
En
hij was luidruchtig!
Hij had een stem met een geluid van een
verwend jongentje en een kwade Raaf.
Toch kon hij soms geluidjes
maken zo zacht als de wind door de dennentakken, met de echo van dat
betoverende geluid, als een organische bel, die zo kenmerkend is
voor de spraak van iedere Raaf.
Met de tijd begon de liefde van
zijn opa te groeien voor dat vreemde nieuwe lid van zijn huishouding
en bracht hij veel tijd door met spelen, speelgoed maken en
spelletjes voor hem te verzinnen.
Na een tijd toen de Raaf meer
en meer de liefde en vertrouwen van de oude man voor zich wist te
winnen, ging de Raaf doelbewust op zoek in het huis om uit te vinden
waar het licht was verborgen.
Na veel verkenningstochten door
het huis was hij er van overtuigd geraakt dat het licht zat
verborgen in de grote kist die stond in een hoek van het huis.
Op een dag lichtte hij voorzichtig het deksel van de kist op,
maar kon natuurlijk niets zien en kon alleen voelen dat er nog een
andere kist in zat.
Zijn grootvader echter hoorde dat hij aan
zijn kostbaarste bezit kwam en dreigde de jonge dief met gruwelijke
straffen als het ravenkind ooit de kist nog zou aanraken.
Dit
veroorzaakte een groots opgezette actie van luide protesten gevolgd
door liefderijke smeekbeden waarin de Raaf nooit het licht noemde
maar slechts smeekte om de kist in de kist.
Die kist, zei het
ravenkind, was het enige in de héééle wereld dat hem volkomen
gelukkig kon maken.
Als zoveel, zo niet alle grootvaders doen
sinds het begin, begon de oude man te bezwijken en gaf zijn
kleinkind de buitenste kist.
Dit stelde de jongen slechts een
korte tijd tevreden, dus zoals al zoveel, zo niet alle kleinkinderen
doen sinds het begin, begon de Raaf te smeken voor de volgende kist.
Het duurde vele dagen voordat met gevlei, zorgvuldig
uitgebalanceerde en goed geplande woede aanvallen, één voor één de
kisten werden verwijderd.
Toen er slechts een paar kisten over
waren begon een vreemde straling, nooit eerder waargenomen, de
inktzwarte duisternis van het huis te verbreken en die vage vormen
en schaduwen onthulde, nog te zwak om een duidelijke vorm te kunnen
zien.
Het ravenkind begon te smeken, met zijn meest
meelijwekkende stem om voor slechts één moment dat vreemde licht te
mogen vasthouden.
Zijn verzoek werd direct geweigerd, maar
natuurlijk met de tijd moest ook hier grootvader capituleren.
De
oude man pakte het licht uit de laatste kist in de vorm van een
gloeiende bal en gaf het uiteindelijk aan zijn kleinzoon.
Slechts
een vluchtig moment kon hij het kind zien die hij zo verwend had met
liefde en genegenheid, toen de Raaf zijn vorm veranderde tot een
enorme, zwart glinsterende schaduw, de vleugels gespreid en de bek
wijd open, wachtend op het licht.
In hetzelfde moment greep de
Raaf het licht met zijn klauwen, sloeg zijn vleugels met kracht naar
beneden en schoot als een pijl door het rookgat van het huis in de
oneindige duisternis van de wereld.
Die wereld was plotseling
volkomen veranderd.
In de verte waren de silhouetten van de
bergen en valleien zichtbaar geworden, de rivieren weerkaatsten
verblindende reflecties en overal ontwaakte leven.
In de verte,
achter het silhouet van de bergen, steeg een grote vogel met een
machtige vleugelslag omhoog, op het moment dat het licht zijn ogen
raakte.
Voor de eerste keer zag de Arend zijn prooi.
De Raaf
vloog verder, verheugd met zijn nieuwe bezit en genietend van de
ervaring om te zien waar hij vloog in plaats van een afschuwelijk
onbeholpen gestuntel en pijnlijk botsen met objecten op zijn weg.
Hij genoot zo van zijn vlucht dat hij de Arend niet zag, totdat
die bijna vlak boven hem was.
In paniek probeerde hij aan de
wrede uitgestrekte klauwen te ontsnappen en liet van schrik een
groot stuk van het licht vallen.
Het viel op de rotsen beneden
hem en er braken heel veel splinters af.
Ze stuiterden terug,
hoog in de lucht en bleven daar tot op de dag van vandaag, als de
maan en de sterren die de nachten verlichten.
De Arend
achtervolgde de Raaf tot achter de horizon van de wereld en daar,
uitgeput door de lange jacht, liet de Raaf eindelijk zijn laatste
stuk licht los.
Achter de horizon van de wereld dreef het licht
rustig over de wolken en steeg uit boven de bergen in het Oosten.
Zijn eerste stralen vonden een ingang in het rookgat van het
huis bij de rivier, waar de ouden man bitter zat te huilen over het
verlies van zijn kostbaar licht en het verraad van zijn kleinkind.
Maar als het licht zijn huis binnenstormt, kijkt hij op en voor
de eerste keer in zijn leven ziet hij zijn dochter, die al die tijd
stil in een hoekje was blijven zitten kompleet verbijsterd door de
vloed van gebeurtenissen.
Hij zag dat zij zo mooi was als
dennentakken tegen een lentelucht bij zonsopgang en begon zich weer
beter te voelen.