VERHALEN

 

 Terug

GOED EN KWAAD

(Irokees verhaal)


Lang geleden, in de tijd van de Oerouden bestond de wereld uit twee delen.
In het bovenste deel woonden de Oerouden, die net mensen waren.
Daar was het licht.
In het onderste deel was het duister en daar woonde de Grote Verschrikking.
Eens voelde een zwangere vrouw dat haar tijd was gekomen en ze ging op een kleed liggen.
Tot ieders schrik zakte ze weg.
Dieper en dieper viel ze.
Ze viel door de bovenste wereld in de onderste wereld, waar de Grote Verschrikking woonde.
Hij had de vorm van een slang met horens.
De Grote Verschrikking zag de vrouw vallen.
Hij riep alle boze wezens van zijn wereld bij elkaar en beval ze op de plaats te gaan staan waar de vrouw terecht zou komen.
Maar de vrouw viel en bleef vallen.
De boze wezens besloten dat een van hen de grond uit het diepste diepte moest halen waarvan de wereld gemaakt was.
De grote schildpad bood aan de modder op zijn rug te dragen en zo viel de vrouw uiteindelijk in de zachte aarde op de rug van de schildpad.
De schildpad groeide en groeide en met hem de nieuwe wereld.
In de aarde gaf de vrouw het leven aan twee zonen en meteen na de bevalling overleed ze.
Tijdens de bevalling was in het lichaam van de ene jongen een goede geest gekomen en in het lichaam van de ander een boze geest.
De jongens waren amper geboren of ze hadden al ruzie.
Goede Geest probeerde Boze Geest telkens zijn slechte daden af te leren en dat pikte Boze Geest niet.
Goede Geest wilde de wereld vol licht brengen, maar Boze Geest vond de duistere wereld beter.
Goede Geest maakte van zijn moeder de zon, de maan en de sterren.
Van haar hoofd maakte hij de zon en nog altijd regeert de zon over de wereld, zoals het hoofd over de ledematen.
Overal waar het licht werd, kropen de Boze Wezens weg en verdwenen in de diepste diepten waar het licht ze niet kan bereiken.
Om de wereld bewoonbaar te maken, maakte Goede Geest rivieren, bergen, bossen en weiden en hij schiep planten en dieren.
Elk dier en elke plant gaf hij een plek in zijn schepping. Hij maakte ook twee mensen, een man en een vrouw.
Hij blies ze in de neusgaten zodat ze zouden ademen, net als de andere schepselen.
Goede Geest gaf de mensen zijn schepping en stelde ze aan als bewakers.
De schepping is de mensen slechts toevertrouwd tot Goede Geest het ze weer afneemt en ze verantwoording moeten afleggen over alle bergen, rivieren, weiden, dieren en planten.
Boze Geest had ondertussen niet stilgezeten en had waar hij kon het werk van zijn broer verpest.
Hij had rivieren geblokkeerd met grote rotsblokken en ongedierte geschapen naar het beeld van de wezens, die waren verdreven door het licht.
Ze waren alleen veel kleiner geworden omdat Goede Geest niet mocht merken wat hij uitvoerde en Boze Geest liet ze onder stenen en in het donker wonen.
Boze Geest had zelfs geprobeerd mensen te scheppen, maar hij kon ze niet tot leven wekken.
Toen Goede Geest zag wat zijn broer uitvoerde, blies hij de 'mensen' leven in.
"Jullie komen van de Boze," zei hij. "Dus behoren jullie hem toe."
Sindsdien bestaat het kwaad in de wereld.
Maar het kwaad is een deel van het goede omdat Goede Geest het van zijn adem heeft voorzien.
Goede Geest en Boze Geest hebben sindsdien nog veel met elkaar gevochten tot Boze Geest uiteindelijk in het diepste diepte is gevallen.
Maar Boze Geest komt van tijd tot tijd terug naar de aarde om de mensen bang te maken, want Goed en Kwaad zijn de kinderen van een moeder en beiden hebben ze een plaats in de wereld.

 

 

Terug