In het begin was er alleen maar water.
Alle
dieren moesten constant zwemmen zonder te kunnen rusten.
Enkele
dieren kwamen bijeen en besloten dat er iets gedaan moest worden om
een woongebied te creëren.
De muskusrat, bever, nerts, otter,
waterpad of pad (afhankelijk van de stam waartoe de verteller
behoort) besloot om naar de bodem te duiken en een handvol modder op
te scheppen.
Teruggekomen aan de oppervlakte, legde hij de
modder op de rug van een enorme schilpad en dook weer onder voor
meer.
Anderen kwamen hem te hulp en doken ook modder op om bij
de schilpad op de rug te leggen.
De modder droogde op en er
ontstond land, zodat alle dieren een thuis hadden.
Nu drijven we
allemaal rond op de rug van een gigantische met modder bedekte
schilpad.
Het verhaal is eenvoudig, maar laat goed zien hoe
een Indiaans scheppingsverhaal gelezen moet worden.
De nadruk
ligt niet op de schepping als zodanig of op een wetenschappelijke
verklaring voor de ontwikkeling van de aarde, maar meer op de actie
die noodzakelijk was om haar te scheppen.
De clou van dit
verhaal is dat de dieren niet uit hun situatie konden ontsnappen
zolang ze alleen aan zichzelf dachten.
Samenwerken was
noodzakelijk om land te vormen en samenwerking is noodzakelijk,
zoals de verteller zal benadrukken, om het te
behouden.